Afgelopen maandag haastte ik mij om kwart voor 7 naar het perron waar mijn trein zou vertrekken. Ik ben altijd bewust 5 minuten te vroeg, omdat ik steeds hoop op een dubbeldekker. Dubbeldekkers zijn namelijk gezegend met een eenzame stoel boven, helemaal achterin de coupé. Deze eenzame stoel is een uitkomst voor mensen zoals ik die graag een reis lang boekje lezen, slapen of naar buiten kijken, zonder last te hebben van het zweterige been van de buurman, de snotterende loopneus van de snurkstudent of de smakgeluiden van de nette dame met de boterham met pindakaas.
Sinds kort heb ik een concurent op deze stoel. Een man met een snor die bij aankomst het perron scant op zoek naar mij, om zich vervolgens strategisch vóór mij op te stellen, zodat hij een fractie eerder bij de gewenste stoel is. Gevolg is dus dat ik gedwongen geconfronteerd word met datgene wat ik op maandagochtend het liefste uit de weg ga: andere mensen.
Afgelopen maandag greep ik weer mis. Snor was net iets eerder. Ik liet mij niet kennen en zocht een plaatsje in de benedencoupé. De trein begon aan haar route. Wijhe, Olst, Deventer... Op de cadans van de vierkante wielen dommelde ik weg. Zutphen.
"Door een aanrijding tussen Dieren en Arnhem rijdt deze trein niet verder. Reizigers voor de richting Nijmegen, kunnen omreizen via Apeldoorn en Amersfoort."
In gedachten maakte ik de reis die tot mijn schrik zo'n twee uur extra in beslag zou nemen. Ik was al bezig mijn terugreis te plannen en te bedenken wat ik thuis allemaal voor nuttig werk zou kunnen doen en hoeveel tijd ik daarmee zou winnen. Intussen schuifelden mijn treingenoten braaf richting de gereedstaande trein naar Apeldoorn. Ik besloot voor de zekerheid toch nog even een NS-man aan te schieten.
"Hoe lang gaat mijn reis duren als ik via Apeldoorn naar Nijmegen reis?"
De NS-man bevestigde mijn berekening, maar zei toen: "Ik zou er niet aan beginnen. Ik heb zojuist doorgekregen dat deze trein toch door gaat rijden naar Arnhem en Nijmegen."
Ik dacht verder niet na over de wonderlijke manier waarop dit medium zijn informatie had gekregen en liep resoluut naar de achterste coupé van de trein die ik zojuist verlaten had. Gelaten keken de mensen in de trein naar Apeldoorn mij na, een enkeling schudde meewarig zijn hoofd. Ik meende Snor te ontdekken die chagrijnig een bank met een corpulente dame deelde.
Op het moment dat ik voor de treindeur stond, werd er omgeroepen dat onze trein toch zou gaan rijden. Er ontstond een ware stormloop. De trein naar Apeldoorn stroomde leeg. Als een losgeslagen kudde buffels, kwam de mensenmenigte op mij af, Snor voorop. Maar ik had een voorsprong. Ik keek nog even over mijn schouder, stapte rustig de trein in, de trap op en zonk neer op de eenzame stoel. Hij was nog een beetje warm.
Snor heb ik niet meer gezien.
