Op de savanne leefde een groep bavianen trots,
tevreden en gelukkig op hun bavianenrots.
Ze zaten als gewoonlijk wat te vlooien en te geeuwen,
maar toen kwam daar ineens een heel gevaarlijk troepje leeuwen.
tevreden en gelukkig op hun bavianenrots.
Ze zaten als gewoonlijk wat te vlooien en te geeuwen,
maar toen kwam daar ineens een heel gevaarlijk troepje leeuwen.
Dit was de bavianenvoorman niet zo naar de zin.
Dus stelde hij onmiddellijk een Uitbraakhulpteam in.
Hij vroeg wat nu te doen in deze enge situatie.
Slimme apen dachten na met diepe concentratie.
Ze keken naar de springbokantilopen en gazellen
en konden toen de bavianenvoorman wel vertellen:
“Ook al lijkt dit goed advies misschien wat ongehoord;
we komen hier echt absoluut veel sterker uit als soort.
Want wat we wel van evolutie fijn hebben geleerd,
is dat de groep pas overleeft, als die maar wat probeert.”
Zou dat lukken om te rennen net als springbokantilopen?
Ja, bedacht het UHT, tenminste ‘t was te hopen.
Aanvankelijk was er nog wel een hele sterke roep
om veiligheid voor iedereen vanuit de apengroep.
Daarom ging eerst de bavianenrots maar eens op slot.
Totdat geen baviaan het volhield. Daarna ging het vlot.
Dus toen de leeuwen kwamen, renden alle apen weg.
De meesten hadden veel geluk en sommigen maar pech.
Een enkeling die twijfeld’ aan ‘t advies van UHT
deed, al klonk het zo plausibel, zelf bewust niet mee.
Die rende niet mee ter versterking van de populatie,
maar klom omhoog of hield zich schuil, verstopt in isolatie.
De enkeling dacht wat hem goeddunkt, maar verwachtt’ geen wonder.
Voor bavianengroep niet erg; wel sneu, maar die kon zonder.
Maar waar het UHT zich toch beslist erg in vergiste,
is dat als allen rennen zouden, deze groep iets miste!
Want elke bavianengroep die ‘t best zal overleven,
moet proberen zijn diversiteit niet op te geven.
Dan heeft men baat bij heel hard rennen en bij volgzaamheid,
maar wil men ook de enkeling met eigen plan niet kwijt.
Had ik maar, net als die enkeling, een eigen plan!
Maar nee, helaas, volg UHT en ren zo hard ik kan.