Het is
vakantie en Maren verveelt zich. Al haar vriendinnen zijn al vertrokken, ook haar
best friend Safira. Die zit de
komende weken op een camping bij Eindhoven.
Emma: “Maren, wil je misschien even met Safira bellen?”
Maren: “Is er een tijdverschil tussen ons en Brabant? Want ik wil haar niet
midden in de nacht wakker bellen...”
Emma: “Maren,
waar wij op vakantie gaan, leven beren!”
Maren: “In het hotel?”
Emma leest
Maren voor uit een boek. Daar staat in een zin: “San Francisco, USA.” Maren: “Hee!
Daar gaan wij toch naar toe?”
(Ze zijn op weg naar San Sebastian)
Zij rijden
door een druk stuk en worden ingehaald door een politieauto. Matthias kijkt op.
“Wacht, rijden we nou in Frankrijk of in Engeland?”
(Ze zijn in België...)
De familie
overnacht onderweg in een Franse hotel. Miguel heeft zijn autosleutel aan een
hotelmedewerker gegeven om de auto te laten halen. Maren: “Maar dan steelt hij
de auto misschien! Nou ja, dan kunnen we hem ontslaan...”
Emma: “We kunnen hem niet ontslaan,
hij is niet bij ons in dienst!”
Matthias: “We kunnen hem wél slaan!
Matthias
heeft een spel bedacht. “Ik zeg een woord en dan zeggen jullie waar jullie bij
dat woord meteen aan moeten denken. Bijvoorbeeld: ik zeg Albert Heijn en dan
zegt mama “frikandelbroodje”.
(De jongeman zit op een school met een AH aan de overkant)
Matthias op een Aire: "Kijk! Een superklein vogeltje!"
(Een mus)
In Frankrijk. Emma's tekst bij deze foto: Mijn paasei en ik....