Op donderdagmiddag landt ons vliegtuig op het vliegveld van Florence. Terwijl wij met een bus naar de terminal worden gebracht, zien we nog net hoe een ander vliegtuig vaart maakt in de richting van een plots uit het landschap oprijzende berg. Op het moment dat de machine het contact met de grond verliest, wordt het landingsgestel ingetrokken en maakt het vliegtuig een scherpe bocht naar links om zodoende de berg te omzeilen. Het stemt mij gelukkig dat wij terug zullen vliegen vanaf Bologna.
Eenmaal in de terminal aangekomen worden we verwelkomd door een militair behangen met alle mogelijke wapens, en zijn hond. Hij begeleidt ons naar bagagebelt nummer 3, die zo’n vijf meter van de entree verwijderd is. Na een minuut of 4 komt er een man met een indrukwekkend werkoveral drie knoppen op de band indrukken en nog geen twee tellen later begint de band te bewegen. Het is een enorme band gezien het aantal passagiers in het vliegtuig en hun bijbehorende bagage. Het is daarom dat wij in alle rust, zonder het gebruikelijke gedrang en geruzie over wie als eerste zijn koffer van de band mag halen en dus een halve minuut eerder bij de douane kan staan. Op ons dooie gemakje lopen wij met de stroom Italiaanse zakenmannen in stijve pakken en overgeblondeerde, opgedirkte Italiaanse dames met veel te grote zonnebrillen mee naar het douanepoortje. De militair met de hond heeft daar inmiddels zijn plaats ingenomen en beveelt de hond aan iedere koffer te snuffelen. Mijn koffer blijkt een flesje parfum te bevatten welke geur de hond wel schijnt te waarderen. Overdreven lang besnuffelt hij aan alle kanten mijn koffer en weet feilloos mijn toilettas te lokaliseren. Op een onverstaanbare grom van zijn baasje geeft de hond nog een snelle lik aan de koffer en mijn hand en kijkt me met droevige hondenogen aan, als wilde hij zeggen “Aan jou had ik nog wel wat langer willen ruiken”.
Eenmaal buiten het vliegveld gaan we opzoek naar het loket van het autoverhuurbedrijf waar we via internet alvast een autootje gereserveerd hebben. Wij zijn gewend op grote vliegvelden langs enorme rijen loketten te moeten lopen en drie keer op onze papieren te checken bij welke maatschappij we deze keer ook alweer geboekt hadden. Maar in dit geval was het makkelijk, er was er maar eentje. En gelukkig nog de goeie ook!
Bij het loket staat een jongeman. Een Rus, denk ik. In ieder geval een Oost-Europeaan. Zo’n echte, met kort, vlassig, blond haar, een jongensachtig blotenbillengezicht en een gelige gloed over zijn huid van een teveel aan zelfgestookte wodka. Hij staat er duidelijk al een tijdje en het valt ons meteen op dat het gebroken Engels van de Italiaanse ambtenaren achter het glas niet compatibel is met het gebarsten Engels van de Rus. Als het na lang over en weer gepraat duidelijk is dat ze zijn rijbewijs nodig hebben en niet alleen zijn paspoort, hopen wij dat het nu snel geregeld zal zijn. We staan geduldig op gepaste afstand te wachten, gunnen deze man zijn privacy en genieten intussen van de capriolen die een Engels echtpaar uithaalt dat zojuist, waarschijnlijk bij dezelfde maatschappij, een auto heeft gehuurd. Blijkbaar kennen ze het principe van de centrale deurvergrendeling niet. Steeds als de man op het knopje van het kastje aan de sleutelbos drukt en het geklik van de sloten in de deuren klinkt, slaakt de vrouw een geschrokken gilletje. Daarop drukt de man snel hetzelfde knopje weer in, in een poging de door hem veroorzaakte, onverklaarbare verandering in de motor weer op te lossen. En ja, weer die klik, maar de deuren gaan niet open. Als de vrouw even afgeleid is en niet gilt, lukt het de man eindelijk de deur aan de bestuurderskant te openen. Maar nu moeten de koffers nog in de achterbak. En voor de achterbak zit geen knopje op de afstandsbediening. Na lang zoeken en overleggen, besluiten ze de koffers dan maar via de zijdeuren in de auto te proppen. En dat blijkt nog knap lastig te zijn bij een driedeursauto en een dozijn aan gematchte grote en kleine koffers en beautycases.
Inmiddels is het duidelijk dat de Rus zijn auto niet via internet gereserveerd heeft en ook dat hij niet cash kan betalen. Een creditcard heeft hij niet, of die doet het niet, dat heb ik even gemist door de avonturen van de Engelsen. Een telefoontje moet uitkomst bieden, dus wij denken intussen onze autosleutels wel even te kunnen afhalen, maar de Rus staat zijn plekje voor het loket niet af. Dus geduldig laten wij nog eens 5 minuten van onze welverdiende vakantietijd afsnoepen.
Intussen heeft zich een nieuw tweetal achter ons aangesloten. Een jong meisje, halverwege de twintig met twee vlechtjes en in een hippe trenchcoat, en een man van gevorderde middelbare leeftijd met een enorme neus waar hij juist met behulp van een soort knijpampul een flinke hoeveelheid neusspray in pompt. Overtuigend haalt hij vervolgens zijn neus op om te voorkomen dat een deel van de ingespoten vloeistof weer naar buiten zal komen lopen en steekt een sigaret op. Tevreden blaast hij de rook in mijn gezicht, waarop ik omslachtig mijn neusspray tevoorschijn haal en met nóg meer misbaar mijn eigen neus begin vol te pompen.
De Rus is inmiddels afgescheept door de Italianen en wij worden naar het loket gewenkt. We schuiven onze koffers vooruit en leggen onze al geruime tijd klaargehouden paspoorten en rijbewijzen op de toonbank. Het stel achter ons heeft blijkbaar nooit van de privacy-meter gehoord en komt onmiddellijk in onze nek staan hijgen en roken. Gepikeerd kijk ik om, recht in het linkerneusgat van de man die van dichtbij toch wel heel erg groot blijkt te zijn. Blijkbaar hechten de Italianen ook niet zo aan privacy, want ze wenken de twee naar voren. Ik wil mijn koffer wat dichter naar die van Ton schuiven, zodat ze links van ons kunnen gaan staan, maar dat is niet nodig, want midden tussen ons door blijkt ook prima te werken. De man geeft met zijn voet een tikje tegen mijn koffer die hem blijkbaar in de weg staat, waarop ik in mijn beste en beleefdste Nederlands zeg dat ik de koffer wel even voor hem aan de kant zal zetten en doe dat vervolgens omslachtig. Maar de man is te druk bezig met het zoeken naar zijn paspoort om mijn vriendelijke daad te kunnen appreciëren. Het meisje heeft haar Amerikaanse paspoort en New Yorkse rijbewijs al lang en breed teruggekregen van de Italiaanse beambte, maar de man is nog steeds naarstig op zoek naar de zijne. Eindelijk, na lang worstelen met zijn smoezelige overjas, tovert hij een bezoedeld Frans paspoort tevoorschijn. De Italiaan opent het paspoort, bekijkt de foto, bekijkt de man, kijkt nogmaals naar de foto en knikt dan instemmend. Ik vraag me af of hij geconstateerd heeft dat de neus aan deze man inderdaad een echt onderdeel is van de persoon of dat het er later, door iemand van de rekwisieten afdeling is aangezet. Het is bijna onwerkelijk, zo´n enorm boegbeeld heeft deze meneer.
Terwijl onze paspoorten en rijbewijzen uitvoerig van voor naar achteren doorgebladerd, gekopieerd en nog eens van achter naar voor doorgebladerd worden, krijgt de Fransman zijn reisdokument weer in zijn handen gedrukt. De vinger van de Italiaan bevindt zich op de pagina waar de naamgegevens van de Fransman staan. Ik zie de pasfoto en constateer dat het inderdaad zijn eigen paspoort is, mét zijn eigen foto. Plotseling valt het paspoort open en zie ik de naam van de reus staan. Even ben ik stil.Bij Abraracourcix! Gapend kijk ik het tweetal na dat zich begeeft in de richting van de zojuist voorgereden, zilverkleurige Mercedes. De man die de auto heeft voorgereden, springt achter het stuur vandaan, pakt de klaarstaande koffers en legt ze met veel aandacht en precisie in de kofferbak. De Fransman neemt intussen plaats op de bijrijdersstoel, terwijl het Amerikaanse meisje zich installeert achter het stuur. De bediende salueert, de Fransman steekt even een hand op en het meisje trekt op. Als ze om de hoek verdwijnen, krijgen wij eindelijk onze dokumenten terug en draaien we ons om om onze koffers over te dragen aan de chauffeur die onze auto heeft voorgereden. Maar er staat niemand, ook geen auto. De Italianen achter het loket lachen en wijzen vriendelijk naar links. Met onze koffers achter ons aan, zwoegen we naar de parkeerplaats waar, in tegenstelling tot wat het aantal loketten deed vermoeden, honderden auto’s staan van tientallen verschillende verhuurmaatschappijen. Terwijl de netjes opgevouwen en gesorteerde t-shirtjes en onderbroeken in onze koffers door het hobbelen over de keitjes van het parkeerterrein van plaats wisselen, spotten we in de allerachterste rij de auto’s van ons verhuurbedrijf. Nadat ook wij een koffer en twee tassen via de zijdeuren van de auto ingeladen hebben – de achterbak is met één koffer vol – en Ton de auto vakkundig achteruit over de kinderkopjes door de slagboom manoeuvreert, vraagt hij me wat die Franse reus zich wel niet in het hoofd haalde. Ik haal me de foto voor de geest en verzucht: “Ach, hij waande zich Obelix.”
Eenmaal in de terminal aangekomen worden we verwelkomd door een militair behangen met alle mogelijke wapens, en zijn hond. Hij begeleidt ons naar bagagebelt nummer 3, die zo’n vijf meter van de entree verwijderd is. Na een minuut of 4 komt er een man met een indrukwekkend werkoveral drie knoppen op de band indrukken en nog geen twee tellen later begint de band te bewegen. Het is een enorme band gezien het aantal passagiers in het vliegtuig en hun bijbehorende bagage. Het is daarom dat wij in alle rust, zonder het gebruikelijke gedrang en geruzie over wie als eerste zijn koffer van de band mag halen en dus een halve minuut eerder bij de douane kan staan. Op ons dooie gemakje lopen wij met de stroom Italiaanse zakenmannen in stijve pakken en overgeblondeerde, opgedirkte Italiaanse dames met veel te grote zonnebrillen mee naar het douanepoortje. De militair met de hond heeft daar inmiddels zijn plaats ingenomen en beveelt de hond aan iedere koffer te snuffelen. Mijn koffer blijkt een flesje parfum te bevatten welke geur de hond wel schijnt te waarderen. Overdreven lang besnuffelt hij aan alle kanten mijn koffer en weet feilloos mijn toilettas te lokaliseren. Op een onverstaanbare grom van zijn baasje geeft de hond nog een snelle lik aan de koffer en mijn hand en kijkt me met droevige hondenogen aan, als wilde hij zeggen “Aan jou had ik nog wel wat langer willen ruiken”.
Eenmaal buiten het vliegveld gaan we opzoek naar het loket van het autoverhuurbedrijf waar we via internet alvast een autootje gereserveerd hebben. Wij zijn gewend op grote vliegvelden langs enorme rijen loketten te moeten lopen en drie keer op onze papieren te checken bij welke maatschappij we deze keer ook alweer geboekt hadden. Maar in dit geval was het makkelijk, er was er maar eentje. En gelukkig nog de goeie ook!
Bij het loket staat een jongeman. Een Rus, denk ik. In ieder geval een Oost-Europeaan. Zo’n echte, met kort, vlassig, blond haar, een jongensachtig blotenbillengezicht en een gelige gloed over zijn huid van een teveel aan zelfgestookte wodka. Hij staat er duidelijk al een tijdje en het valt ons meteen op dat het gebroken Engels van de Italiaanse ambtenaren achter het glas niet compatibel is met het gebarsten Engels van de Rus. Als het na lang over en weer gepraat duidelijk is dat ze zijn rijbewijs nodig hebben en niet alleen zijn paspoort, hopen wij dat het nu snel geregeld zal zijn. We staan geduldig op gepaste afstand te wachten, gunnen deze man zijn privacy en genieten intussen van de capriolen die een Engels echtpaar uithaalt dat zojuist, waarschijnlijk bij dezelfde maatschappij, een auto heeft gehuurd. Blijkbaar kennen ze het principe van de centrale deurvergrendeling niet. Steeds als de man op het knopje van het kastje aan de sleutelbos drukt en het geklik van de sloten in de deuren klinkt, slaakt de vrouw een geschrokken gilletje. Daarop drukt de man snel hetzelfde knopje weer in, in een poging de door hem veroorzaakte, onverklaarbare verandering in de motor weer op te lossen. En ja, weer die klik, maar de deuren gaan niet open. Als de vrouw even afgeleid is en niet gilt, lukt het de man eindelijk de deur aan de bestuurderskant te openen. Maar nu moeten de koffers nog in de achterbak. En voor de achterbak zit geen knopje op de afstandsbediening. Na lang zoeken en overleggen, besluiten ze de koffers dan maar via de zijdeuren in de auto te proppen. En dat blijkt nog knap lastig te zijn bij een driedeursauto en een dozijn aan gematchte grote en kleine koffers en beautycases.
Inmiddels is het duidelijk dat de Rus zijn auto niet via internet gereserveerd heeft en ook dat hij niet cash kan betalen. Een creditcard heeft hij niet, of die doet het niet, dat heb ik even gemist door de avonturen van de Engelsen. Een telefoontje moet uitkomst bieden, dus wij denken intussen onze autosleutels wel even te kunnen afhalen, maar de Rus staat zijn plekje voor het loket niet af. Dus geduldig laten wij nog eens 5 minuten van onze welverdiende vakantietijd afsnoepen.
Intussen heeft zich een nieuw tweetal achter ons aangesloten. Een jong meisje, halverwege de twintig met twee vlechtjes en in een hippe trenchcoat, en een man van gevorderde middelbare leeftijd met een enorme neus waar hij juist met behulp van een soort knijpampul een flinke hoeveelheid neusspray in pompt. Overtuigend haalt hij vervolgens zijn neus op om te voorkomen dat een deel van de ingespoten vloeistof weer naar buiten zal komen lopen en steekt een sigaret op. Tevreden blaast hij de rook in mijn gezicht, waarop ik omslachtig mijn neusspray tevoorschijn haal en met nóg meer misbaar mijn eigen neus begin vol te pompen.
De Rus is inmiddels afgescheept door de Italianen en wij worden naar het loket gewenkt. We schuiven onze koffers vooruit en leggen onze al geruime tijd klaargehouden paspoorten en rijbewijzen op de toonbank. Het stel achter ons heeft blijkbaar nooit van de privacy-meter gehoord en komt onmiddellijk in onze nek staan hijgen en roken. Gepikeerd kijk ik om, recht in het linkerneusgat van de man die van dichtbij toch wel heel erg groot blijkt te zijn. Blijkbaar hechten de Italianen ook niet zo aan privacy, want ze wenken de twee naar voren. Ik wil mijn koffer wat dichter naar die van Ton schuiven, zodat ze links van ons kunnen gaan staan, maar dat is niet nodig, want midden tussen ons door blijkt ook prima te werken. De man geeft met zijn voet een tikje tegen mijn koffer die hem blijkbaar in de weg staat, waarop ik in mijn beste en beleefdste Nederlands zeg dat ik de koffer wel even voor hem aan de kant zal zetten en doe dat vervolgens omslachtig. Maar de man is te druk bezig met het zoeken naar zijn paspoort om mijn vriendelijke daad te kunnen appreciëren. Het meisje heeft haar Amerikaanse paspoort en New Yorkse rijbewijs al lang en breed teruggekregen van de Italiaanse beambte, maar de man is nog steeds naarstig op zoek naar de zijne. Eindelijk, na lang worstelen met zijn smoezelige overjas, tovert hij een bezoedeld Frans paspoort tevoorschijn. De Italiaan opent het paspoort, bekijkt de foto, bekijkt de man, kijkt nogmaals naar de foto en knikt dan instemmend. Ik vraag me af of hij geconstateerd heeft dat de neus aan deze man inderdaad een echt onderdeel is van de persoon of dat het er later, door iemand van de rekwisieten afdeling is aangezet. Het is bijna onwerkelijk, zo´n enorm boegbeeld heeft deze meneer.
Terwijl onze paspoorten en rijbewijzen uitvoerig van voor naar achteren doorgebladerd, gekopieerd en nog eens van achter naar voor doorgebladerd worden, krijgt de Fransman zijn reisdokument weer in zijn handen gedrukt. De vinger van de Italiaan bevindt zich op de pagina waar de naamgegevens van de Fransman staan. Ik zie de pasfoto en constateer dat het inderdaad zijn eigen paspoort is, mét zijn eigen foto. Plotseling valt het paspoort open en zie ik de naam van de reus staan. Even ben ik stil.Bij Abraracourcix! Gapend kijk ik het tweetal na dat zich begeeft in de richting van de zojuist voorgereden, zilverkleurige Mercedes. De man die de auto heeft voorgereden, springt achter het stuur vandaan, pakt de klaarstaande koffers en legt ze met veel aandacht en precisie in de kofferbak. De Fransman neemt intussen plaats op de bijrijdersstoel, terwijl het Amerikaanse meisje zich installeert achter het stuur. De bediende salueert, de Fransman steekt even een hand op en het meisje trekt op. Als ze om de hoek verdwijnen, krijgen wij eindelijk onze dokumenten terug en draaien we ons om om onze koffers over te dragen aan de chauffeur die onze auto heeft voorgereden. Maar er staat niemand, ook geen auto. De Italianen achter het loket lachen en wijzen vriendelijk naar links. Met onze koffers achter ons aan, zwoegen we naar de parkeerplaats waar, in tegenstelling tot wat het aantal loketten deed vermoeden, honderden auto’s staan van tientallen verschillende verhuurmaatschappijen. Terwijl de netjes opgevouwen en gesorteerde t-shirtjes en onderbroeken in onze koffers door het hobbelen over de keitjes van het parkeerterrein van plaats wisselen, spotten we in de allerachterste rij de auto’s van ons verhuurbedrijf. Nadat ook wij een koffer en twee tassen via de zijdeuren van de auto ingeladen hebben – de achterbak is met één koffer vol – en Ton de auto vakkundig achteruit over de kinderkopjes door de slagboom manoeuvreert, vraagt hij me wat die Franse reus zich wel niet in het hoofd haalde. Ik haal me de foto voor de geest en verzucht: “Ach, hij waande zich Obelix.”
2 opmerkingen:
Leuk stukje, Lon!
Verder dan Ome Willem die achter ons op zijn koffie stond te wachten in de R'damse Stadsschouwburg ben ik niet gekomen wat betreft het "aanraakbaarzijn" van celebrities! Al ademde hij wel in mijn nek, hij kroop in ieder geval niet vòòr!
Mooie story!
Een reactie posten